Op 25 januari 2013 werd op het terrein van de voormalige Vliegbasis Soesterberg de eerste bouwhandeling verricht voor het Nationaal Militair Museum (NMM). In het NMM komen de collecties van het Legermuseum in Delft (gesloten sinds 6 januari 2013) en het Militaire Luchtvaartmuseum (gesloten sinds 1 juli 2013) samen.

Achtergrond

Rond 2000 constateerde de Inspectie Cultuurbezit van het Ministerie van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) dat de condities waaronder de collecties van het Legermuseum in Delft en die van het Militaire Luchtvaart Museum in Soesterberg werden bewaard, ernstig te kort schoten. De verwachting werd zelfs uitgesproken dat op termijn onherstelbare schade zou kunnen optreden.

Dat was niet het enige. Museale deskundigen waren het er bovendien over eens dat de expositiemogelijkheden zowel in Delft als in Soesterberg vooral in kwalitatieve zin ontoereikend waren.

De leiding van de landmacht en die van de luchtmacht trokken zich de conclusies aan en sloegen de handen ineen om iets aan die situatie te gaan doen. In 2001 werd het plan geboren om in Amersfoort, op het terrein van de Bernhardkazerne, een nieuw, gezamenlijk KL-KLu museum te gaan bouwen. In een kort tijdsbestek werd daarvoor een museaal concept ontwikkeld en een gedetailleerd Programma van Eisen opgesteld.  

Toen in de zomer 2003 grote bezuinigingen bij Defensie noodzakelijk bleken en duidelijk werd dat ook voor de Vliegbasis Soesterberg het doek zou gaan vallen, ging de optie Bernhardkazerne meteen van tafel. Hergebruik van de bij sluiting van de vliegbasis vrijkomende hangars bood immers, zo luidde de redenering, de mogelijkheid de kosten van het te bouwen museum aanzienlijk te drukken. Na ampel beraad werd besloten het plan Bernhardkazerne alvast maar om te schrijven naar de locatie Vliegbasis Soesterberg.

Intussen was op 13 februari 2003 parlementaire instemming verkregen voor de verzelfstandiging van het Legermuseum in Delft en de oprichting van een nieuwe stichting, de Stichting Koninklijk Militair-historisch Museum.

Luchtfoto van het Militaire Luchtvaart Museum in 1999.

Kamerbrief juli 2006

Het ministerie van Defensie besloot echter in de gegeven situatie niet over een nacht ijs te gaan. Het hechtte er aan de totale museale inspanning van Defensie, inclusief die bij de Koninklijke Marine, de Koninklijke Marechaussee en bij het Commando Diensten Centra  (Museum Bronbeek) tegen het licht te houden. Twee externe deskundigen stelden in 2005 een stevig advies op voor de toekomstige inrichting van het museale bestel Defensie. Het plan tot samenvoeging van de collecties van het Legermuseum en het Militaire Luchtvaart Museum bleef daarin overeind.

In juli 2006 ging er een brief naar de Tweede Kamer waarin Staatssecretaris van Defensie C. van der Knaap liet weten  dat de defensiemusea zouden worden gereorganiseerd en dat de collecties van Legermuseum en Militaire Luchtvaart Museum inderdaad volgens het bijgestelde plan uit 2003 naar Soesterberg zouden gaan. Daar zou een nieuw museum komen, met aandacht voor landmacht en luchtmacht, maar ook met een uitdrukkelijk krijgsmachtbreed perspectief.

In de brief kondigde de staatssecretaris tevens aan dat het nieuw te bouwen museum in Soesterberg, het Marinemuseum in Den Helder, het Mariniersmuseum in Rotterdam, het Museum van de Koninklijke Marechaussee in Buren en Museum Bronbeek in een gezamenlijke stichting zouden worden ondergebracht, op afstand van, maar wel gesubsidieerd door Defensie. De oprichting van deze stichting is inmiddels een feit. Museum Bronbeek zal daarvan echter geen maken.

Vanaf de publicatie van deze kamerbrief is er door het Projectteam Herinrichting Museaal Bestel enthousiast gewerkt aan de voorbereidingen voor het nieuwe museum. Zeker geen gemakkelijke opgave, waar in 2009-2010 ook nog eens een forse bezuiniging op het beschikbare budget moest  worden toegepast. Met veel vijven en zessen lukte het de noodzakelijke besparingen te vinden, zodat in het najaar van 2010 het licht op groen kon worden gezet om de aanbesteding op gang te brengen.

Financiering  

Van meet af aan was duidelijk dat de bouw van het museum een dusdanig bedrag zou vergen dat volgens de geldende overheidsregels allereerst de vraag moest worden beantwoord of publiek-private samenwerking (PPS), rekening houdend met een langjarig contract, mogelijk financieel voordeel zou kunnen opleveren ten opzichte van traditionele aanbesteding. Eind 2007 wees onderzoek uit dat publiek-private samenwerking inderdaad voordeliger zou uitpakken. Op basis van die vaststelling werd in 2008 besloten het nieuwe museum in Soesterberg volgens die systematiek te ontwikkelen en te exploiteren.

Meteen werden daarop voorbereidingen getroffen om deze PPS-insteek, samen met de Rijksgebouwendienst (Rgd), handen en voeten te geven. De Rgd trad binnen deze constructie, in opdracht van het ministerie van Defensie, opals aanbestedende dienst.

Van outputspecificatie naar winnend ontwerp

In het voorjaar van 2009 werd begonnen met het opstellen van de outputspecificatie, een soort functioneel programma van eisen zonder oplossingen. In een vroeg stadium werd ook de scope bepaald, dat wil zeggen dat beslissingen werden genomen over de precieze rol van de private partij(en) in het geheel van het project. Besloten werd dat behalve het ontwerpen, het financieren en het bouwen van het museum ook voor de duur van 25 jaar de volledige facilitaire ondersteuning  zou worden uitbesteed. Het gaat daarbij om het onderhoud en de beveiliging van het museum, de catering en de museumwinkel.

Op 1 september 2010 verkreeg het Projectteam Herinrichting Museaal Bestel Defensie groen licht om de aanbesteding voor het project op gang te brengen. Zes consortia dienden zich aan om mee te dingen naar het project. Na een eerste selectie bleven er drie over, de Paltzer Poort, de Basis en Heijmans@ventures. Met deze drie consortia werd vanaf januari 2011 een zeer intensief dialoogtraject doorlopen. In samenspraak met Rgd, Defensie en de beide musea ontwierpen de consortia elk een eigen, uniek plan.

Eind januari 2012 werden bij de Rgd drie geldige biedingen ingediend. Het ontwerp van Heijmans@Ventures werd als beste beoordeeld. Op 23 maart bekrachtigde de Stuurgroep Defensiemusea de uitkomst van de beoordeling.

Na het verstrijken van de bezwaartermijn tekenden de Plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten Vice-admiraal Wim Nagtegaal en Martien Heijmans namens Heijmans PPP op 8 mei in de Prinses Julianakazerne in Den Haag het contract voor de bouw en facilitaire exploitatie van het Nationaal Militair Museum. De looptijd bedraagt 25 jaar. Behalve de bouw en de facilitaire dienstverlening voor het museumcomplex omvat het project ook de inrichting en het onderhoud van het gehele plangebied. Heijmans PPP opereert inmiddels voor het project Nationaal Militair Museum onder de benaming NMM Company bv.

Bouw van het NMM in volle gang, voorjaar 2013.

Van Vliegbasis naar Museumkwartier

Het museum wordt gevestigd op de locatie waar in 1913 als deel van de landmacht de legendarische Luchtvaartafdeeling (LVA) ontstond. Behoudens de periode van de Tweede Wereldoorlog heeft de luchtmacht vanaf dat jaar tot eind 2008 ononderbroken domicilie gehad op de Soesterbergse vlieghei. Nog vers in het geheugen ligt de indrukwekkende ceremonie waarmee het Commando Luchtstrijdkrachten op 12 november 2008 afscheid nam van de Vliegbasis Soesterberg als platform voor vliegoperaties. Na bijna 100 jaar verdween zo de bakermat als het ware uit de luchtmachtorganisatie.  

De ontwikkelingen gingen daarna snel. In juni 2009 werd het grootste deel van het terrein overgedragen aan de Provincie Utrecht en begon de metamorfose van dit gebied. Een deel van de shelters werd gesloopt en schapen namen er hun intrek.

Het totale projectgebied omvat 45 hectare. Het hoofdgebouw bestaat uit een groot, langwerpig gebouw met een dakconstructie van 250 bij 100 meter. Op het gebouw komt een toren van maar liefst 33 meter. Vanuit die toren kan het museum een verbinding maken met de omgeving, die zo rijk is aan fysieke herinneringen aan het Nederlandse defensieverleden. In een omtrek van circa 30-35 kilometer rond het museum bevinden zich de Grebbelinie, delen van de Limes, de Nieuwe Hollandse Waterlinie, de Hollandse Waterlinie en bijvoorbeeld ook de Pyramide van Austerlitz, die terug gaat op de Franse tijd. 

In het Museumkwartier heeft een aantal bestaande gebouwen een nieuwe bestemming gekregen, zoals de grote hangar “298”, waarin het depot is gevestigd, maar ook de uit 1928-1930 daterende LVA-hangar met het nr. 8 en het oudste luchtvaartgebouwtje van ons land, dat nog herinnert aan de tijd dat Verweij en Lugard ter plaatse een circuit voor vliegdemonstraties exploiteerden, blijven bewaard. 

Op 25 januari 2013 werd de eerste bouwhandeling verricht door de Minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert.

Het Militaire Luchtvaart Museum

De geschiedenis van het Militaire Luchtvaart Museum gaat terug tot de jaren zestig. In 1968 wordt op de bakermat van de Nederlandse luchtvaart, Soesterberg, op initiatief van enkele luchtmachtmedewerkers, het Luchtmachtmuseum opgericht. 3 Juli 1968 opent Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard het museum dat is ondergebracht in één van de hangaars op de Vliegbasis Soesterberg. Het museum toont de geschiedenis van de Koninklijke Luchtmacht en haar voorgangers. 

Entree van het toenmalige Luchtmacht museum op de vliegbasis Soesterberg, op dezelfde locatie van het huidige NMM.

De collectie groeit in snel tempo en in 1980 verhuist het Luchtmachtmuseum naar het Kamp van Zeist. Met de verhuizing van het museum wordt tevens de doelstelling verbreed. Voortaan besteedt het museum niet alleen aandacht aan de Koninklijke Luchtmacht maar ook aan de Marineluchtvaartdienst en de Militaire Luchtvaart Koninklijk Nederlands-Indisch Leger. In het kader van deze verhuizing en vanwege de verbreding van de doelstelling wordt de naam Luchtmachtmuseum in 1980 veranderd in 'Militaire Luchtvaart Museum'. Het museum werd gesloten op 1 juli 2013.

Opening van het Militaire Luchtvaart Museum in 1980 op het Kamp van Zeist te Soesterberg.

Het Legermuseum

Het Legermuseum bood met zijn brede collectie militaire gebruiksvoorwerpen en kunstuitingen een overzicht van de militaire geschiedenis sinds de prehistorie tot aan heden.

Het museum vindt zijn oorsprong in de grote privéverzameling van F.A. Hoefer (1850-1938). Om zijn her en der verspreide collectie een waardig onderdak te verschaffen en toegankelijk te maken voor het publiek betrok hij kasteel De Doorwerth, gelegen in de uiterwaarden van de Rijn vlakbij Arnhem.

Kijkje in het Nederlandsch Artillerie Museum in kasteel De Doorwerth, 1913

Gaandeweg kon Hoefer de lasten voor onderhoud aan het kasteel en de verzameling niet meer alleen opbrengen. Het lukte hem niet om van het museum een rijksmuseum te maken, maar het werd wel in 1921 in de organisatie van het ministerie van Oorlog opgenomen en ondergebracht bij de Generale Staf. De minister bleek met deze constructie minder gelukkig en in 1928 bracht men de collectie in een stichting onder met de naam Het Nederlandsch Legermuseum.  

Kasteel De Doorwerth bleek allengs te klein voor de steeds verder uitbreidende collectie. Grote objecten stonden noodgedwongen op de binnenplaats en op de aarden wallen rondom het kasteel. Bij hoge waterstanden van de Rijn liepen ook de lager gelegen onderkomens onder water, terwijl in zeer droge perioden de kasteelgracht uitdroogde, waardoor de muren begonnen te scheuren en op sommige plekken zelfs instortten. In december 1940 besloot het bestuur tot de verhuizing van het museum naar Leiden, waar het ministerie voor dit doel het voormalige Pesthuis had aangekocht. Door de Tweede Wereldoorlog duurde het echter geruime tijd voor de verhuizing een feit was. Na een periode van opbouw en inrichting werd het museum in Leiden in 1956 voor publiek geopend. De stichting had een jaar eerder haar naam gewijzigd in Het Nederlands Leger- en Wapenmuseum Generaal Hoefer.

Het Legermuseum in Delft.

Eind 1959 kreeg het museum ook de beschikking over een zeventiende-eeuws gebouwencomplex te Delft. In dit Armamentarium was door het ministerie van Defensie allerlei oorlogsmateriaal bijeengebracht, voornamelijk munitie en geschut, in 1945 door de Duitsers in Nederland achtergelaten. Dit diende in de eerste jaren als studieverzameling voor beroepsmilitairen om kennis op te doen over allerlei militaire technieken, maar bleek al snel verouderd. Daarom besloot de staatssecretaris van Defensie deze verzameling aan de stichting over te dragen. In 1973, toen het museum 60 jaar bestond, verleende Hare Majesteit het predikaat Koninklijk aan de stichting.

Zo had het museum nu dus vestigingen in Leiden en Delft, een situatie die niet echt bevorderlijk bleek voor de feitelijke samensmelting. De kosten, om als het ware twee musea te financieren, bleken niet meer uit de lopende begroting op te brengen. Op beide locaties leden de museumgebouwen bovendien onder achterstallig onderhoud en voortschrijdend verval. Op voorspraak van de staatssecretaris van Defensie werd binnen zijn ministerie en dat van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu financiering gevonden voor de renovatie van het Armamentarium in Delft. Er volgde een radicaal programma van restauratie en renovatie, dat acht jaar duurde. Elders in de stad werden de op de Paardenmarkt aanwezige defensiegebouwen summier ingericht als depot. In 1986 verrichtte de minister van Defensie in aanwezigheid van Z.K.H. Prins Bernhard de opening van de benedenverdieping van het museum. In 1989 opende H.M. Koningin Beatrix de tentoonstelling Oranje op de bres, waarmee de openstelling van het gehele museum een feit werd.

Tentoonstelling collectie in het Legermuseum.

Op 5 januari 2013 was het Legermuseum voor de laatste maal voor het publiek geopend. Precies 100 jaar na haar oprichting kwam er een einde aan de periode Delft.

Een leeg Legermuseum tijdens de verhuizing in 2013.

Deel deze pagina

Let op: wij gebruiken cookies en vergelijkbare technieken om uw bezoek aan onze website zo aangenaam mogelijk te maken en om u relevante boodschappen te tonen. Als u verder gaat op onze site, gaat u akkoord met het plaatsen van cookies.